3
Geloof het of niet, ik was vroeger het mooiere zusje.
Ik heb zelfs bewijs: een oude sepiakleurige foto van Alex en mij als baby, naast elkaar in de dubbele wandelwagen waarin mama ons over straat duwde. Mijn dikke bruine haar zat in schattige paardenstaartjes met roze strikjes en mijn armen en benen waren zacht en mollig, de enige tijd in mijn leven dat mensen me complimenteerden met die laatste eigenschap. Ik was een vrolijke, gemakkelijke baby die veel lachte, zelfs als de Griekse oma van verderop in de straat in mijn blozende wangen kneep en ze zo nog roder maakte. Alex was daarentegen de eerste twaalf maanden van haar leven zo mager en kaal als een geplukte kip. Ze had ook veel last van baby-acne, was vatbaar voor koliek en bang voor vreemden. En haar gehuil, zo vertelt mijn vader die nog huivert als hij eraan terugdenkt, ‘kon vleermuizen dol maken’.
Ik kan me niet herinneren hoe het voelde om tijdens dat eerste jaar van mijn leven alle ogen op me gericht te hebben, dat ze tegen me kirden en uitriepen wat een mooie grote ogen ik had en hoe lief ik lachte, en ik hun complimenten opslorpte terwijl Alex jankte en haar ontbijt uitspuugde. Want ongeveer rond onze eerste verjaardag begint ons familiealbum een heel ander verhaal te vertellen.
Alex groeide over de koliek, acne en verlegenheid heen en hoewel onze ogen bij onze geboorte dezelfde marineblauwe kleur hadden, werden die van mij donkerder tot ze fletsbruin waren en die van haar lichter en lichter, totdat ze de kleur hadden van een tropische zee waar zonlicht doorheen filterde. Ze werd eindelijk wat zwaarder, hoewel ze frêle en fijntjes bleef, en haar haren groeiden sneller dan die van Raponsje en werden goudkleurige krullen.
Waar we ook gingen – de speelplaats, het strand, de eerste dag op de peuterspeelzaal – één zinnetje hing altijd als de achtergrondmuziek van ons leven om ons heen: ‘O, dat háár!’
Als ze klaar waren met het bewonderen van Alex en tegen mijn moeder zeggen dat ze in een reclamespotje moest spelen, glimlachten mensen ook wel naar mij en zeiden misschien zelfs iets aardigs. De aardige mensen tenminste. Ik herinner me nog een keer dat ik ongeveer vijf of zes jaar oud was en het gezin in een deli in de buurt zat te lunchen. Alex en ik deelden een portie patat – de lekkere, vette, kronkelige – als beloning omdat we naar de kinderarts waren geweest en een vaccinatie hadden gekregen. Mam wilde het eten net over onze borden verdelen terwijl Alex en ik allebei toekeken om te zien of de ander niet één patatje meer kreeg, zelfs niet de verkoolde bruine die een paar extra rondjes in de frituur hadden gedaan, toen een oude vrouw langs strompelde. Ze was zo jichtig en krom dat ze zich bijna op mijn ooghoogte bevond en ik kon het niet laten naar haar te staren omdat ze zo op de heks uit mijn Sneeuwwitjeboek leek. Ze was zelfs helemaal in het zwart gekleed. Ze glimlachte niet en zei geen gedag, ze strekte alleen maar een op een klauw lijkende hand naar me uit en raakte mijn hoofd aan. Ik zat daar maar, stijf van angst.
‘Jammer dat ze niet op haar zusje lijkt,’ zei ze met krassende stem.
Mijn moeder probeerde me af te leiden door luidruchtig over iets anders te gaan praten, maar ik kon de aanraking van die blauwgeaderde hand nog voelen en zag dat mama dat wist. En toen Alex even niet keek, gaf mam mij een paar extra patatjes. Dat was het, dat zorgde ervoor dat zich een brok in mijn keel vormde die het ademhalen bemoeilijkte. Het leek alsof mam het feit dat ik niet zo speciaal was als Alex probeerde te compenseren. Alsof zij het ook toegaf. Bij de dokter had ik niet gehuild, zelfs niet toen de verpleegkundige een naald in de zachte huid van mijn bovenarm stak, maar toen ik daar naar de patatjes zat te staren waar ik geen trek meer in had, moest ik mijn uiterste best doen om de tranen niet over mijn wangen te laten rollen.
Begrijp me niet verkeerd, mijn ouders hebben hun best gedaan. Ze waren al tien lange jaren bezig kinderen te krijgen toen Alex en ik kwamen. Op de dag dat we werden geboren vroeg onze moeder, nog versuft en sentimenteel en met in elke arm een roze bundeltje, de dokter om advies bij het opvoeden van een tweeling.
Hij dacht er even over na en zei: ‘Het zijn individuen. Behandel ze ook zo. Trek ze niet dezelfde kleren aan.’
Mam nam zijn woorden ter harte; na die roze ziekenhuisdekens hadden Alex en ik nooit meer hetzelfde aangehad. We kregen ieder een eigen kamer, eigen kleren en eigen vrienden. We hoefden nooit hetzelfde kapsel of naar hetzelfde balletklasje. Maar mam had zich geen zorgen hoeven maken. Als ze het op zijn beloop had gelaten hadden Alex en ik uit onszelf ook totaal andere wegen bewandeld. Ik kan me geen leven zonder Alex voorstellen. Niet omdat ze de enige is die me echt begrijpt of omdat we vanaf de baarmoeder een paranormale band hebben, maar omdat ik me mijn hele leven tegen Alex heb afgezet, als een zwemmer die de kracht van de betonnen muur gebruikt om te keren en de tegenovergestelde richting op te gaan.
Ik leerde al snel dat als ik me op dezelfde dingen toelegde als Alex, zoals populariteit, flirten en lol maken, ik altijd met zo’n enorme afstand tweede werd dat ieders belangstelling allang weg was en iedereen al naar huis was gegaan tegen de tijd dat ik de finish bereikte. Alex werd in ons eerste én laatste jaar van de middelbare school gekozen tot koningin van het eindfeest, ze mocht lessen missen om kindermodeshows te lopen voor Saks Fifth Avenue en Macy’s en ze dumpte de aanvoerder van het football-team aan het einde van het football-seizoen om precies op tijd voor hun eerste wedstrijd verkering met de aanvoerder van het basketbalteam te krijgen. Als ze door de gangen van onze school fladderde in de cheerleaderrokjes die om haar lange benen suisden, was uit de starende blikken duidelijk op te maken dat ieder meisje haar wilde zijn en iedere jongen heimelijk verliefd op haar was.
Dus tenzij ik onzichtbaar door het leven wilde gaan, moest ik een andere manier vinden om opgemerkt te worden, een waarvoor je geen perfecte glimlach, lange wimpers of maatje vierendertig nodig had. Ik merkte dat als ik goed mijn best deed met leren en met allemaal tienen thuiskwam, het schoolhoofd me het podium op riep aan het einde van het jaar om me een certificaat te geven en mijn ouders dan stralend in het publiek zaten. Ik merkte dat als ik vier jaar studie in drie jaar propte en elk jaar op het lijstje van de decaan wist te komen, werkgevers me kwamen rekruteren. Ik merkte dat als ik een baan in New York aannam, een bedrag met vijf nullen verdiende en werkte tot ik het gevoel had dat mijn hoofd ontplofte en mijn lichaam aanvoelde alsof het van een vrouw was die twee keer zo oud was als ik, ik de vragenlijsten voor mijn middelbareschoolreünies kon invullen met updates over mijn leven die zeker weten indruk zouden maken op mijn oud-klasgenootjes.
Soms als ik midden in de nacht wakker lag en aan alles dacht wat ik de volgende dag moest doen, werkten mijn hersens zo hard dat ik er duizelig van werd en in paniek raakte. Ik woelde en draaide en mijn zijden lakens kronkelden zich als slangen om me heen. Niets bood soelaas; een soapserie op mijn breedbeeldplasma-tv niet, ook niet de zachtheid van mijn kasjmieren sierkussens of de levendige kleuren van het originele abstracte schilderij dat ik in een galerie in Soho van mijn eerste bonus had gekocht.
Tijdens die donkere, eindeloze uren, als lijstjes door mijn gedachten schoten en mijn hart bonsde, dacht ik er soms aan hoe het me vergaan zou zijn als ik niet zo hard had hoeven knokken om mijn eigen identiteit op te bouwen, eentje die ervoor zou zorgen dat ik niet in de schaduw verdween zodra mijn tweelingzus in de buurt was. Zou ik net zo gedreven zijn, zo gefixeerd op succes, als ik in een ander gezin was geboren?
Tijdens die lange, eenzame nachten als mijn lichaam om slaap schreeuwde maar mijn hoofd weigerde het te volgen, vroeg ik me soms af: als Alex niet mijn zus was geweest, zou ik dan een totaal ander persoon zijn?
‘Slaap je?’
Vol ongeloof sneed Matts stem door mijn droom, een zweterige angstdroom waarin ik door een vliegveld holde om een vliegtuig te proberen te halen dat op het punt stond op te stijgen, wanhopig sneller en sneller rennend ook al zag ik de grondstewardess bij de gate de deur naar de slurf al sluiten en er hoofdschuddend met gekruiste armen voor gaan staan.
Ik tilde mijn hoofd van mijn bureau en knipperde versuft met mijn ogen. Matt stond in de deuropening van mijn kantoor met zijn vriendin, de peuterjuf, aan zijn zij. Er plakte een vel papier aan mijn wang, waarschijnlijk vastgekleefd met kwijl. Kost wat kost een goede eerste indruk maken, dat is mijn motto.
‘Ik dacht dat jij daar niet aan deed,’ zei Matt.
‘Ik rustte alleen even uit,’ zei ik. Jezus, ik klonk net als mijn vader. Ik trok het vel papier van mijn wang en hoopte dat mijn lippenstift niet over mijn hele gezicht zat.
‘Hoi,’ zei ik tegen Matts vriendin, ‘ik ben Lindsey en ik kan je verzekeren dat ik normaal gesproken wakkerder ben.’
‘Ik ben Pammy,’ zei ze en ze glimlachte liefjes. Pammy? Het zij haar vergeven, besloot ik. Ze was petieterig en blond en leek perfect voor Matt. Zijn vorige vriendinnetje was een humeurige vegetariër die altijd stennis schopte in restaurants bij het uithoren van de kelner over de ingrediënten van verschillende gerechten.
‘Je komt nog te laat,’ zei Matt. ‘Je hebt vijf minuten om je om te kleden. We wachten beneden wel op je.’
Het was alsof hij een emmer ijswater over me heen gooide. Ik sprong van mijn stoel en griste de kledingzak van de haak aan mijn deur. Hoe kon ik zijn vergeten wat voor avond het was? Ik keek op mijn horloge. Het was halfzes, ik had twee hele uren geslapen. Dit was onmogelijk. Ik deed nooit dutjes. Waarom was ik niet wakker geworden van mijn telefoons? Waarom was er niemand mijn kantoor in komen lopen? Het antwoord schoot me snel te binnen: Donna. En ja hoor, op het vel papier dat aan mijn wang kleefde stond in haar krabbelige handschrift: ‘Ik hou al je telefoontjes tegen en zeg tegen iedereen dat je in vergadering bent. Je moet uitrusten anders word je ziek.’
Allemachtig, waarom was ik hier alleen maar qua titel de baas.
Ik had vijf minuten om me gereed te maken, vijf schamele minuten om mezelf op te knappen voor de bekendmaking die mijn complete toekomst kon veranderen. Maar ik kon dit, ik was het gewend om hier konijnen uit hoge hoeden te trekken. Ik ritste mijn kledingzak open en trok de zwarte zijden jurk eruit die een personal shopper voor me bij Saks had uitgezocht. Hij was eenvoudig en conservatief, maar ook elegant, hoopte ik maar. Ik rende naar de toiletten, kleedde me om en trok de schoenen aan die de shopper in de onderkant van de kledingzak had gestopt. Ze pasten perfect, de hakken waren niet te hoog en de stijl was klassiek. Ik bedacht dat ik deze shopper vaker moest gebruiken. Ze kon daadwerkelijk instructies opvolgen, in tegenstelling tot de vorige, die sweaters met een kerstthema had meegestuurd met de kleding die ze hierheen stuurde. Ik ben dan misschien geen fashionista, maar ik weet wel dat het een doodzonde is om iets met Rudolphs knipperende rode neus erop aan te trekken.
Ik spoelde mijn mond met koud water, gooide ook wat op mijn gezicht en spoot parfum op. Toen boog ik me naar de spiegel en bestudeerde mijn spiegelbeeld. Mijn haar zat nog in een knot en zat wel oké, alleen kon ik echt wat concealer gebruiken voor de donkere kringen onder mijn ogen en oogdruppels om van de roodheid af te komen. Maar de enige make-up die ik in mijn tas had was de Cherry Bomb-lippenstift. Ik had niks met make-up, waarschijnlijk omdat Alex altijd maar doorzeurde over hoeveel beter ik ermee uit zou zien. Ik smeerde een dunne laag lippenstift op om mijn gezicht wat meer kleur te geven. Matt had gelijk: ik was inderdaad wat bleekjes, zelfs na zoveel slaap.
Ik zei tegen mezelf dat ik er beter uit zou zien in het gedimde licht van het feest, vooral omdat tegen die tijd de striemen van het slapen op een gekreukeld vel papier uit mijn gezicht zouden zijn verdwenen. Ik stopte een stuk kaneelkauwgum in mijn mond en rende naar de lift.
‘Het is een kerstwonder,’ zei Matt toen ik de hal in stapte. ‘Kom op, de taxi wacht.’
We haastten ons naar de stoeprand en propten ons met Matt in het midden op de achterbank van de taxi. Ik hield mijn been zo ver mogelijk bij hem vandaan zodat Pammy niet jaloers zou hoeven te zijn. De vegetariër met de behaarde oksels had een hekel aan me gehad omdat ze wist hoe close Matt en ik waren. Ze voelde zich bedreigd (mijn nieuwe suède tas hielp ook niet erg, maar ik zweer je dat ik die alleen maar had gekocht omdat hij in de uitverkoop was). Maar ze had geen enkele reden om zich bedreigd te voelen, want Matt was gewoon een vriend. Mijn beste vriend, zelfs. We zouden nooit iets met elkaar beginnen.
Natuurlijk was ik wel eens door de gedachte overvallen, maar die had ik meteen een schop onder de kont verkocht zodat ze het zich niet in het hoofd haalde te denken dat mijn hersens wel een leuke plaats waren om zich te vestigen. Twee jaar geleden hadden Matt en ik eens op een zaterdagavond tot laat gewerkt en waren daarna wat gaan eten bij een klein Italiaans tentje met de lekkerste gnocchi ooit. Twee flessen Chianti later zaten we in Matts flat Casablanca te kijken (ja, we hadden die avond elk mogelijk romantisch cliché afgewerkt). Toen we daar zo naast elkaar op zijn loveseat (zie je!) zaten, realiseerde ik me hoe makkelijk het zou zijn om tegen hem aan te kruipen, hem een signaal te geven en te zien of hij het op zou pikken en er iets mee zou doen. Ik kon mijn hoofd naar rechts buigen en tegen zijn schouder leggen. Vijftien centimeter stond er maar tussen mij en het voor altijd veranderen van de toon van onze relatie. De drie glazen wijn die ik ophad maakten het allemaal zo simpel.
Ik had me omgedraaid om naar hem te kijken en zag dat hij naar mij keek in plaats van naar de film. Onze gezichten waren zo dicht bij elkaar dat ik de kleine groene vlekjes in zijn bruine ogen kon ontwaren. Ik had me nooit eerder tot Matt aangetrokken gevoeld. Hij heeft een beetje een rond gezicht, krullend zwart haar en hij is ongeveer één meter vijfenzeventig. Hij is een knuffelbeer, geen Harlequin-held waarvan je slipje spontaan in de brand vliegt. Maar op dat moment, toen ik in zijn vriendelijke ogen met de lachrimpeltjes eromheen keek, was hij onweerstaanbaar. Dus sprong ik op en rende zijn flat rond, op zoek naar mijn schoenen en kwebbelend over hoe moe ik was. Achteraf gezien was het, aangezien ik rondhuppelde als iemand die herhaaldelijk geëlektrocuteerd werd, waarschijnlijk niet het meest geloofwaardige excuus. Maar ik was doodsbang.
Wat als Matt en ik iets met elkaar kregen en dan uit elkaar gingen? Wat als hij gek werd van mijn perfectionistische neigingen – oké, neuroses – en ik niet kon leven met zijn gewoonte om zijn geknipte teennagels in hoopjes in de badkamer te laten liggen? (Ik weet niet waarom dit de hypothetische deal breaker is die in me opkwam en ik moet er maar niet te veel over nadenken wat dat over mijn psychische gesteldheid zegt.)
Maar in die verstijfde ogenblikken dat Matt en ik naar elkaar staarden, had ik onze relatie doorgespoeld en was regelrecht bij het einde aangekomen en had ik een glimp opgevangen van hoe mijn toekomst er zonder hem uit zou zien. Het was alsof ik in een donkere, eenzame afgrond keek. Als hij en ik elkaar niet meer zouden mogen, zou ik niemand meer in New York hebben die om me gaf. Ik zou geen enkele echte vriend hebben. Matt was de enige tegen wie ik over werk kon klagen, de enige van wie ik wist dat hij net als ik dol was op pizza’s met zwarte olijven en champignons op de late avond, de enige die me nog steeds leuk vond als ik moe en neurotisch en onzeker was. Ik kon niet het risico nemen om hem te verliezen – de afgrond was te eng om ook maar aan te denken – dus vluchtte ik zijn flat uit en haastte me naar mijn eigen veilige flatje. Sinds die keer waren we niet meer alleen in zijn appartement geweest, daar had ik wel voor gezorgd.
‘Bij de volgende splitsing rechts,’ instrueerde Matt de chauffeur. We waren bijna bij de club.
‘Ben je er klaar voor?’ vroeg hij me.
‘Helemaal,’ loog ik. Mijn hart ging weer tekeer en ik voelde me licht in mijn hoofd, waarschijnlijk omdat ik de lunch had overgeslagen. Je zou denken dat zoveel maaltijden overslaan goed zou zijn voor mijn taille, maar ik kreeg het altijd weer voor elkaar om het calorietekort drastisch aan te vullen als ik ’s avonds thuiskwam. Maar nu was het meer dan mijn lege maag die me het gevoel gaf dat ik flauw ging vallen.
‘Het wordt hartstikke leuk,’ zei Pammy opgewekt. Ik glimlachte naar haar en probeerde mijn angst van me af te schudden. Ze was echt schattig, heel vrolijk en tenger en hartelijk. Had ik tenger al opgenoemd? Ik zou heel erg mijn best gaan doen om het feit dat haar beide dijen in één van mijn broekspijpen pasten over het hoofd te zien.
‘Laat ons er hier maar uit,’ zei Matt en hij betaalde de chauffeur. Pammy schoof alvast naar buiten.
‘Ze is schattig,’ fluisterde ik.
‘Vind je?’ vroeg Matt terwijl de chauffeur het wisselgeld zorgvuldig telde. Mijn theorie is dat de meeste taxichauffeurs zo lang over het geven van wisselgeld doen in de hoop dat hyperactieve New Yorkers haastig zullen roepen: ‘Allemachtig man, hou het maar!’
We klommen de auto uit, Matt pakte Pammy’s minuscule handje vast en een uitsmijter stapte opzij en opende de deur van Night Fever voor ons. Ik werd geraakt door een muziekgolf en bijna een stuk naar achteren gesmeten. Ah, nu wist ik meteen waar de naam van de nachtclub vandaan kwam: een Bee Gee kermde van wat pijn leek maar net zo goed extase kon zijn, een serveerster met een kralenketting en het kapsel van Farrah Fawcett liep langs met een dienblad met dampende rood met groen gekleurde drankjes en zelfs Mason had een broek met wijde pijpen aangetrokken. Welkom in de jaren zeventig, want we hadden er de eerste keer blijkbaar niet genoeg van gehad.
‘Matt, goed om je te zien!’ schreeuwde Mason. Hij maakte zich los van een kluitje mensen en liep naar ons toe. ‘Lindsey, mag ik je even lenen?’
Zonder op antwoord te wachten trok hij me mee langs een enorm tv-scherm dat aan het plafond hing dat onze beste reclamespots van het jaar achter elkaar door vertoonde. Ongeveer om de meter deelde een kelner met John Lennon-bril of schoenen met plateauzolen nieuwe drankjes rond, wat betekende dat nieuwe en aparte combinaties van collega’s vandaag tot elkaar aangetrokken zouden worden en het komende jaar een hevige hoestbui moesten veinzen of naar de grond zouden kijken als ze elkaar in de gangen van het bedrijf tegenkwamen. In de weken na onze kerstborrels klonk het altijd alsof we een recordaantal bronchitisgevallen hadden.
Mason gebaarde naar een hoek met enorme zitzakken die in een halve cirkel onder een discolamp lagen.
‘Al iets van de Fenstermakers gehoord?’ flapte ik eruit terwijl ik naar een stoel keek en bedacht dat als ik erop ging zitten, ik nooit meer genoeg grip zou kunnen krijgen om eraf te komen.
‘Nog niet,’ zei hij. ‘Dat kan wel een paar dagen duren. Maak je maar geen zorgen. Ik wilde je zeggen dat je dit jaar ontzettend goed werk voor ons hebt verricht. Echt waar.’
Mason praatte een klein beetje met een dubbele tong. Die drankjes in kerstkleuren waren vast goed sterk. Ik dacht bij mezelf dat ik maar een mineraalwater met limoen moest bestellen, dat zou wel door kunnen gaan voor een gin-tonic.
‘Dank je,’ zei ik. ‘Fijn om te horen.’
Hij boog zich naar me toe en fluisterde: ‘Ik moet je dit eigenlijk niet vertellen, maar we hebben vanmiddag gestemd.’
De tijd kwam trillend tot stilstand. Ik kon elk afzonderlijk haartje op mijn arm overeind voelen staan.
‘Sorry?’ vroeg ik met hese stem.
‘Jij wordt de nieuwe VP-creative director,’ zei Mason.
Ik sloot mijn ogen terwijl de opluchting over me heen stortte en mijn benen zwak en onvast maakte. Ik had het geflikt, ik was de jongste vicepresident-creative director bij Richards, Dunne & Krantz ooit. Alle vakanties die ik niet had opgenomen, de films die ik niet had gezien, de ochtenden in het weekend dat ik opstond om te werken terwijl iedereen uitsliep, in bed The Times las of in de zon wandelde – het had allemaal geleid tot dit glorieuze moment. Nu kon ik mijn appartement kopen. Ik kon het vieren door me te buiten te gaan in welk restaurant dan ook, kon er zelfs in een auto met chauffeur heen in plaats van met een taxi. Misschien zou ik met kerst een groot gebaar maken en mijn ouders vliegtickets naar Europa geven. Ik kreeg een groter kantoor, eentje met een geweldig uitzicht. Ik kreeg briefpapier met mijn naam erop! Ik kon niet wachten om een telefoon te zoeken en mijn ouders en Alex in te lichten. Ik plofte zowat uit elkaar van vreugde, maar ik hield mijn gezicht kalm en professioneel.
Mason hield een langslopende serveerster aan. ‘Geef deze dame een glas champagne.’
‘Ik weet niet hoe ik je moet bedanken,’ begon ik te zeggen, maar Mason onderbrak me.
‘Je hebt het verdiend,’ zei hij simpelweg en hij glimlachte naar me. Hoe had ik Mason ooit een buitenaards wezen kunnen vinden? Hij was de warmste, aardigste man op aarde. Een prachtexemplaar. Hij zou tentoongesteld moeten worden in het MoMA.
‘Over een uur maak ik het bekend,’ zei hij. ‘Ik wil dat jij ook een woordje spreekt.’
‘Natuurlijk,’ zei ik en een duizelingwekkende grijns verspreidde zich over mijn gezicht.
Om te verbergen dat ik tranen van vreugde moest wegknipperen nam ik een slok champagne. Het voelde zoet en heerlijk in mijn uitgedroogde keel. Jezus, wat was champagne toch lekker. Waarom dronk ik het niet vaker? Ik zou het elke dag moeten drinken. Ik zou erin moeten baden.
‘Geniet ervan,’ zei Mason. ‘Ik geef wel een seintje als het zover is.’
Hij liep weg en ik ging snel naar Matt en Pam, die toe stonden te kijken hoe een copywriter probeerde de hustle te dansen op het oranje en avocadogroene hoogpolige tapijt.
‘Ik vaardig een nieuwe wet uit voor kantoorborrels,’ kondigde Matt aan. ‘Niemand mag ooit zijn collega’s zien dansen of in zwemkleding zien.’
‘Hahahaha, wat grappig!’ zei ik, hysterisch lachend.
Matt keek eens goed naar me terwijl ik spontane tranen uit mijn ooghoeken veegde. ‘Ben je zwanger?’ vroeg hij.
‘Mattje!’ berispte Pammy hem. Maar ze wierp wel een discrete blik op mijn buik, die ik automatisch inhield. ‘Dat mag je een vrouw nooit vragen!’
‘Of je bent zwanger of je bent zojuist tot VP benoemd,’ zei Matt, ‘want je straalt nog feller dan die lavalampen.’
Ik kon de enorme grijns die zich over mijn gezicht verspreidde niet tegenhouden.
‘Je hebt het hem geflikt, hè?’ zei Matt en hij klonk zijn glas tegen het mijne. ‘Alsof dat een verrassing is.’
‘Gefeliciteerd!’ zei Pammy met haar piepstemmetje. ‘Ben je VP?’
‘Hou het stil,’ smeekte ik ze. ‘Mason maakt het pas over een uur bekend.’
‘Je ziet er gelukkig uit,’ zei Matt. ‘Mooi zo.’
‘Het is een beetje overweldigend,’ zei ik, ‘maar ik ben wel gelukkig. Echt gelukkig.’
‘Gelukkig waarmee?’ Iemand hield zijn gezicht zo dicht bij het mijne dat ik zijn limoenachtige aftershave kon ruiken. Ik draaide mijn hoofd naar rechts en staarde recht in de ogen van Doug, een van de copywriters van mijn team.
Doug is een stuk, als je op grote, potige mannen valt die zo subtiel zijn als een voorhamer. Elke vrouw op kantoor was stiekem een beetje verliefd op hem en hij leek vastbesloten een voor een ieders fantasie waar te maken. Of twee tegelijk, als je de verhalen over de kerstborrel van vorig jaar moest geloven.
‘En wie ben jij?’ vroeg Doug terwijl hij zich met een glimlach tot Pammy wendde. Matt sloeg een arm om haar heen en trok haar naar zich toe.
‘Pammy,’ zei Matt kortaf. ‘Mijn vriendin.’
Doug hield zijn handen omhoog alsof hij wilde zeggen: even goeie vrienden, makker. Er zwemmen nog veel meer vissen in zee.
‘Waarom ben je zo gelukkig?’ vroeg Doug aan mij. ‘Ben je nou al de nieuwe VP?’
Matt redde me. ‘Nee, we hadden het over de lavalampen. Lindsey vindt ze echt fantastisch.’
‘Meen je dat nou?’ zei Doug. ‘Goed man. Iemand wat drinken? Lindsey? Pammy?’
‘Ik heb nog,’ antwoordde Pammy.
‘Waarom ook niet,’ zei ik. Laat dat mineraalwater maar zitten, wat kon het voor kwaad op de mooiste avond van mijn leven een paar glazen champagne te drinken?
‘Oelala,’ zei Doug terwijl hij met een whiplash veroorzakende draai zijn hoofd naar de voordeur keerde. Cheryl maakte haar grootse entree. Ze had nog steeds het niksie aan dat ze tijdens haar pitch voor Gloss had gedragen. De top was niet groter geworden, het leek wel alsof het een flinke griep had gekregen en een paar kilo was afgevallen.
Doug schoot als een speer weg om haar te begroeten.
‘Het kan wel even duren voordat je dat drankje krijgt,’ zei Matt tegen me.
‘Zou je denken?’ zei ik op sarcastische toon. Er dongen nu nog drie andere mannen naar zendtijd bij Cheryl.
‘Ik zou naar haar toe moeten gaan om haar succes te wensen voor het Gloss-account,’ zei ik. Het was gebruikelijk dat wedijverende creatieve teams elkaar succes wensten, een beetje net zoals boksers met hun handschoenen tegen elkaar tikken voordat ze elkaar tot moes slaan.
‘Ik zorg wel voor wat te drinken,’ zei Matt en hij wenkte een kelner terwijl ik naar Cheryl toe liep. Jemig, wat ontwikkelde dit zich tot een geweldige dag. Mijn vermoeidheid was verdwenen. Ik had nu het gevoel dat ik de hele nacht op kon blijven.
Ik was nog maar een paar stappen van Cheryl verwijderd toen mijn BlackBerry in de zak van mijn jasje trilde. Ik haalde hem eruit en keek naar het sms’je.
Je gelooft niet waar ik ben en met wie. Bel me.
Ik glimlachte. Het was een bericht van mijn oude maatje Bradley Church. Ik had Bradley in geen weken, misschien zelfs wel een paar maanden, gesproken. Ik zou hem later die avond bellen, beloofde ik mezelf. Door zijn sms’je besefte ik pas hoe erg ik hem had gemist. Bradley en ik raakten officieel bevriend in groep vier toen de pestkop van de klas in de kantine van onze school Megan Scully liet struikelen en ze met een klets boven op haar dienblad met broodje met ondefinieerbaar beleg viel. Terwijl ze naar haar bril graaide en huilde had Bradley stilletjes de dop van de ketchupfles gehaald en er wat van in het glas sinaasappelsap van de pestkop gekwakt. De pestkop nam een grote slok van zijn sap en spuugde het zo uit over zijn witte overhemd.
Toen de pestkop met gebalde vuisten om zich heen keek op zoek naar de dader, liep ik op mijn tenen naar Bradley, glipte naast hem op het bankje en deed net alsof we al die tijd hadden zitten kletsen. Vanaf dat moment zijn we maatjes geworden en gingen zelfs samen naar het eindfeest, als vrienden. Maar tegenwoordig zagen we elkaar niet zo vaak meer. Bradley woonde nog in onze oude woonplaats en werkte als fotograaf voor The Washington Post. Hij had pasgeleden een prijs gewonnen met een foto van een negenjarig meisje dat op de woonkamervloer naast de open haard slaapt voor de warmte terwijl haar moeder naar een stapel onbetaalde rekeningen staart.
Bradley kwam nog steeds op voor de underdog, dacht ik, en ik glimlachte vol genegenheid toen ik zijn gezicht voor me zag.
Ik zou hem meteen bellen nadat ik mijn ouders en Alex had gebeld, besloot ik terwijl ik Cheryl naderde en me een weg vocht door de drom mannen die met de ellebogen werkten om bij haar in de buurt te komen.
‘Cheryl? Ik wilde je even succes wensen,’ zei ik en ik stak mijn hand uit.
Ze keek er lange tijd naar voordat ze hem schudde.
‘Dank je,’ zei ze. Er verschenen kuiltjes in haar wangen toen een van onze account executives haar een rood drankje gaf dat precies dezelfde kleur had als haar lippen.
‘Het zal nog wel een paar dagen duren voordat we iets horen, dus we kunnen ontspannen,’ zei ik. Nu ik VP werd moest ik vrede sluiten met Cheryl, ze zou tenslotte voor me werken.
‘O, ik denk wel eerder,’ zei ze. Ze nam een slok van haar drankje en hield mijn blik vast over de rand van het glas.
De schittering in haar ogen bezorgde me koude rillingen.
‘O ja?’ vroeg ik en ik probeerde zorgeloos te giechelen maar het kwam eruit als een Woody Woodpecker-lachje (mannen zijn daar dol op, heb ik gehoord, vandaar waarschijnlijk mijn enorme succes bij het daten).
‘Waarom denk je dat?’ vroeg ik aan Cheryl. ‘Mason zei dat Fenstermaker nog niets had besloten.’
Cheryl staarde me nog een tel aan en likte toen haar glanzende rode lippen terwijl ik mezelf dwong haar blik vast te houden. Ze speelde haar gebruikelijke spelletje, meer niet, zei ik tegen mezelf. Ze probeerde me van mijn stuk te brengen. Zelfs dat roofdierachtige likken van haar lippen was waarschijnlijk iets wat ze op Animal Planet had gezien en voor de spiegel had geoefend.
‘O, gewoon een voorgevoel,’ zei ze en ze wendde zich van me af.
Ik staarde haar na en probeerde het onbehaaglijke gevoel dat me bekroop van me af te schudden. Ik voelde me als een hert in het bos dat zojuist de geur van een jager had opgepikt. Ik rook onraad.
Cheryl wist dat ik op het punt stond promotie te krijgen en speelde gewoon haar gebruikelijke spelletje, zei ik tegen mezelf. Ik hoefde me nergens zorgen om te maken.
Maar… waarom leek ze dan in godsnaam zo zeker van zichzelf? Ze zou bij me moeten slijmen.
Langzaam liep ik terug naar Matt en Pammy. Echt iets voor Cheryl om te proberen een domper op de mooiste dag van mijn leven te zetten. Ze was gewoon jaloers. Ik keek voor de zoveelste keer op mijn horloge: Mason zou nu snel zijn bekendmaking doen. Ik zou mijn praatje kort en bondig houden, besloot ik.
‘Hier is je drankje,’ zei Matt toen ik ze bereikte.
Hij gaf me een nieuw glas champagne en ik nam een slok. Het smaakte minder lekker dan een paar minuten geleden. Toen ik opkeek naar Matt, fronste hij zijn wenkbrauwen. Maar zijn ogen waren niet op mij gericht, iets aan de andere kant van de ruimte had zijn aandacht getrokken. Ik volgde zijn blik.
Hij stond naar Mason te staren.
‘Wat is er?’ vroeg ik.
Matt gaf geen antwoord.
Ik draaide me om om Mason beter te kunnen zien. In een hoek van de zaal liep hij ijsberend driftig knopjes op zijn mobiele telefoon in te drukken. Met zijn vrije hand streek hij over zijn kale hoofd, alsof hij een zenuwachtige hond probeerde gerust te stellen door hem te aaien. Weg was zijn vrolijke, aangeschoten stemming. Hij leek wel in paniek. Zijn grote ogen dwaalden de ruimte door, maar toen ze de mijne ontmoetten, zakten ze naar de grond.
Alsof hij niet naar me kon kijken.
‘Matt?’ vroeg ik en ik voelde de vloer onder me vandaan glijden. Mijn stem klonk een beetje gesmoord.
Mason schreeuwde nu iets in zijn telefoon, maar de muziek stond zo hard dat ik geen schijn van kans had om hem te horen.
‘Niks aan de hand,’ zei Matt en hij legde een warme hand op mijn schouder. Ik had me niet gerealiseerd hoe koud ik het had. ‘Hij is waarschijnlijk gewoon in gesprek met een gestoorde klant.’
‘Ooh, volgens mij komt daar het eten aan,’ zei Pammy. ‘Jammie, worstenbroodjes. Zullen we bordjes halen?’
‘Laten we nog even wachten,’ zei Matt, zijn blik nog strak op Mason gericht. Nu kwam een van de oprichters van ons bedrijf, meneer Dunne, haastig naar Mason toe gelopen. Ze stonden dicht bij elkaar wild te gebaren, en precies tegelijk draaiden ze zich naar mij om.
‘Wat gebeurt er?’ fluisterde ik. Ik voelde misselijkheid opkomen.
‘Niks aan het handje,’ zei Matt zacht en ik wilde hem dolgraag geloven. Ik had het gevoel dat ik naar een horrorfilm stond te kijken waarin de heldin op het punt stond een gammele trap naar een onverlichte kelder af te dalen.
O god, waarom liepen ze nu naar Cheryl toe?
Meneer Dunne schudde Cheryl de hand, en zij glimlachte. Iets in die glimlach…
‘Ik moet…’ Ik kreeg de rest van de woorden er niet uit. Mijn maag draaide zich om. Ik rende naar de wc’s en gooide net op tijd de deur van een toilethokje open. Ik had die dag bijna niets gegeten, dus het enige wat in het toilet klaterde was champagne.
‘Lindsey?’ Pammy was me achterna gekomen. ‘O nee. Je bent toch niet echt zwanger, hè?’
‘Ik denk dat ik bedorven sushi heb gegeten tijdens de lunch,’ loog ik terwijl ik het toilet doorspoelde en het deksel naar beneden deed. Ik ging erop zitten. Mijn benen trilden zo erg dat ik er niet op vertrouwde dat ze me zouden houden.
‘Zal ik wat water voor je halen?’ vroeg ze. ‘En misschien wat crackers?’
‘Dat zou fijn zijn,’ zei ik schor. Ik kon me niet indenken nu iets te eten, maar zo kon ik wel van Pammy afkomen om alleen tegen mijn paniek te vechten. Ik moest kalm blijven, daar was ik goed in. Ik was ook goed in dingen fiksen. Ik zou dit fiksen, wat het ook was.
Wat gebeurde er?
Logisch denkend wist ik dat er duizenden verschillende verklaringen konden zijn. Misschien had Matt gelijk en deed een grote klant moeilijk. Misschien hadden Mason en Dunne zich naar mij omgedraaid omdat ze erover dachten om mij het te laten oplossen, maar toch besloten hem aan Cheryl te geven. Dat was het waarschijnlijkst. Dat moest het wel zijn.
Dat was het niet.
Ik wist het met onthutsende, keiharde zekerheid. Er stond iets groots te gebeuren, iets verschrikkelijks. Wat had Cheryl gedaan? Mijn gedachten gingen met me op de loop toen ik de mogelijkheden overdacht. Ze kon niet met de stemming gerommeld hebben, Mason had me al verteld dat ik de promotie zou krijgen. Ik had die baan in mijn zak.
Toch?
‘Hier heb je wat water, Lindsey,’ zei Pammy, die de toiletten weer in kwam. ‘Die kale man was naar je op zoek, maar ik heb gezegd dat je op het toilet zat. Ik heb hem niet verteld dat je moest overgeven, hoor. Hij houdt nu een toespraak, dus hij zei dat hij je daarna wel zou spreken.’
Ik deed de deur van het toilethokje open en stapte naar buiten terwijl duizelingwekkende, hysterische hoop in me opsteeg als een ballon. Zou ik me hebben vergist? Zou de champagne me paranoïde hebben gemaakt? Mason deed zijn bekendmaking, alles verliep volgens schema. En hij was naar mij op zoek geweest. Dat moest een goed teken zijn, toch? Ik spoelde mijn mond met wat water en streek mijn haar glad.
‘Dank je, Pammy,’ zei ik terwijl ik het glas water en de crackers aannam.
Ik hoorde Mason praten, maar de muren van het toilet vervormden zijn woorden.
‘Zullen we teruggaan?’ vroeg ze.
‘Geef me nog even.’ Ik pakte de Cherry Bomb uit mijn tas en bracht een laag op. Ik haalde diep adem en tuurde een paar seconden naar mijn spiegelbeeld om kracht te verzamelen tot ik er klaar voor was.
‘Hé!’ Matt stond vlak voor de deur. Hij wenkte ons naar zich toe. Mason stond in het hokje van de dj en sprak in de microfoon terwijl iedereen op de vloer onder hem op een kluitje was komen staan.
‘Wat heb ik gemist?’
‘Nog niets,’ antwoordde Matt.
Mason praatte verder: ‘… echt een moeilijke beslissing, een van de moeilijkste die we ooit hebben moeten maken…’
Jezus, voor de draad ermee, smeekte ik in stilte.
‘… dit jaar en elk jaar sinds ze hier kwam uitzonderlijk goed werk verricht…’
‘Zei Mason waarom hij me zocht?’ vroeg ik aan Matt.
Hij schudde zijn hoofd.
‘Hoe keek hij?’ fluisterde ik.
Matt nam langzaam een hap lucht en beantwoordde toen mijn blik. ‘Ik weet het niet,’ zei hij, ‘er leek iets… niet pluis.’
Ik sloot mijn ogen en bad simpel en hartstochtelijk: Alsjeblieft. De spanning was ondraaglijk. Mijn maag begon weer te draaien.
‘… ze heeft het vandaag bekroond. Niet alleen heeft Cheryl het Gloss-account gewonnen, ze heeft zelfs zoveel indruk gemaakt op Stuart Fenstermaker dat hij net belde om mee te delen dat hij al zijn campagnes aan Richards, Dunne & Krantz toevertrouwt. Niet alleen voor Gloss, maar voor al zijn zeven bedrijven. Cheryl heeft vanmorgen een account van vijftig miljoen dollar binnengesleept terwijl de rest van jullie koffie aan het halen was. Niet gek voor een dagje werk.’
Nee!
‘… verheugt het me om Cheryl Davis tot onze nieuwe vicepresident te benoemen. Cheryl, kom er eens bij…’
Matt stond naast me. Hij had zijn hand weer op mijn schouder gelegd: ‘Adem diep in,’ fluisterde hij in mijn oor. ‘En rustig uitblazen.’
Als een robot volgde ik zijn instructies op. Dit was een nachtmerrie. Over een minuut zou ik wakker worden, mijn hoofd optillen van mijn bureau en Donna’s briefje vinden.
Hoofden draaiden zich om. Zochten ze mij, om te zien hoe ik reageerde? Automatisch deed ik een stap naar achteren en ging achter Matt staan.
Cheryl nam de microfoon van Mason over en straalde terwijl het applaus als confetti op haar neerdaalde. De discolampen schenen kleine regenboogjes van kleur op haar blote, goudbruine schouders en omhoog gewende gezicht. Ze was mooier dan ooit.
‘Mason komt deze kant op,’ zei Matt. Hij sprak langzaam en behoedzaam, alsof hij het tegen iemand had die een auto-ongeluk had gehad: Weet je hoe je heet? Weet je waar je bent?
‘Zal ik iets te drinken voor je halen?’ vroeg Matt.
‘Ontzettend bedankt,’ begon Cheryl.
‘Blijf alsjeblieft hier,’ smeekte ik Matt.
‘Ik ben bij je,’ zei hij.
‘Is Cheryl vicepresident?’ vroeg Pammy en ze trok haar neus op. Haar stem was te luid en weergalmde in mijn hoofd. ‘Zijn jullie allebei vicepresident?’
Mijn hersens vertraagden als speelgoed waarvan de batterij opraakte. Ik begreep amper wat iedereen zei. Hun mond bewoog, maar ik kon niet wijs worden uit hun woorden.
‘Lindsey.’
Het was Mason. Hij kwam voor me staan en wreef nog steeds met zijn hand over zijn hoofd.
‘Jezus, het spijt me echt. Kunnen we even daarheen gaan om te praten?’ vroeg hij. Zwijgend knikte ik. Ik had elk greintje van mijn concentratie nodig om mijn voeten een voor een op te tillen en hem achterna te lopen naar een hoekje. Het was hetzelfde hoekje als waar hij me had verteld dat ik vicepresident zou worden. Dezelfde zitzakken. Dezelfde lavalampen. Hoe kon het allemaal nog hetzelfde zijn alsof de wereld niet op zijn kop was gezet en alles overhoop was gegooid?
‘Fenstermaker belde een kwartier geleden,’ zei Mason. Hij keek naar mijn linkerschouder in plaats van in mijn ogen. ‘Hij bood ons al zijn campagnes aan. Cheryl moet hem helemaal ingepakt hebben. Toen dreigde Cheryl over te stappen naar een ander bureau en zijn account mee te nemen als ze niet de nieuwe vicepresident zou worden. Ze had ons in de houdgreep, dus moesten we een noodstemming doen. Ze heeft je met één stem verschil verslagen.’
Ik knikte weer, alsof het allemaal heel logisch was.
‘Je had het verdiend,’ zei Mason. ‘Ik heb evengoed op je gestemd.’
Hij probeerde me op te beuren. Hij gaf me een paar patatjes extra.
‘Je hebt nog steeds een goede toekomst bij ons,’ zei Mason. ‘Een geweldige toekomst. Wie weet, over een paar jaar…’
Ik probeerde wat uit te brengen, maar slaagde daar niet in. Mijn keel zat dicht.
‘Ik moet terug,’ zei Mason. ‘Gaat het wel? Kan ik iets voor je halen?’
Ik schudde mijn hoofd. Ik voelde me prima, ik had het alleen heel erg koud.
‘We praten later wel verder,’ zei Mason. ‘Laten we morgen samen gaan lunchen. We bedenken wel wat.’
Hij liep weg en toen zag ik het: de gezichten van mijn collega’s draaiden zich mijn kant op, eerst maar een paar, daarna steeds meer, als een wave in een stadion. Cheryl had haar woordje gedaan en Mason was nog onderweg naar het podium. Zijn verplaatsing had ieders aandacht getrokken. Ik stond daar zo blootgesteld alsof ik poedelnaakt was. Iedereen staarde naar me, met nieuwsgierigheid en medelijden op hun gezicht. Iedereen wist dat ik gefaald had, dat ik niet goed genoeg was.
Wild keek ik om me heen en zag een rood uitgangbordje. Ik weet niet eens hoe ik er gekomen ben, maar ik zal wel gerend hebben, want plotseling stormde ik door een deur naar buiten de stoep op, waar een bedelaar op een omgekeerd melkkrat met munten in een plastic beker zat te rinkelen, mensen in de rij stonden in de deuropening van een restaurant en een auto een kruising over slipte op het moment dat het stoplicht op rood ging. Waar het leven doorging terwijl het mijne in een miljoen scherpe stukjes uit elkaar was gevallen.